Uitspraak
17.794 AOW
OVERWEGINGEN
tot 1 mei 2010is de minister, ingevolge artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag, aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank voorziet niet in een regeling op grond waarvan zonder meer kan worden aangenomen dat de Svb het bestreden besluit (mede) krachtens een geldig mandaat heeft genomen voor de minister. Omdat de minister het bestreden besluit bij brief van 15 december 2016 heeft bekrachtigd en appellant hierdoor niet wordt benadeeld, zal het bevoegdheidsgebrek dat is verbonden aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die bepaling sinds 1 januari 2013 luidt, worden gepasseerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook andere belanghebbenden hierdoor niet worden benadeeld.
vanaf 1 mei 2010is de Svb aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. In dit verband wordt verwezen naar artikel 1, onderdeel p en q, van
verwerptde stelling van appellant dat de rechtbank het bestreden besluit reeds op grond van onbevoegdheid van de Svb had moeten vernietigen. De Raad onderkent dat op grond van artikel 18 van Pro Vo 987/2009 over het tijdvak vanaf 1 mei 2010 een verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bij de Luxemburgse autoriteiten moest worden ingediend. Dit wil echter niet zeggen dat de Luxemburgse autoriteiten bij uitsluiting bevoegd zijn om op het verzoek te beslissen. Aangezien het verzoek strekt tot het sluiten van een overeenkomst, moet ook de Nederlandse bevoegde autoriteit besluiten al dan niet medewerking aan het verzoek te verlenen. Dit besluit is op rechtsgevolg gericht. De Raad zal het bestreden besluit opvatten als een weigering om, ook indien het verzoek eerst door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen, over de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2010 medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een regularisatieovereenkomst. Dit besluit kan en zal inhoudelijk worden getoetst.
onderschrijftde stelling van de Svb dat geen sprake is van het met terugwerkende kracht toepassen van nieuw beleid ten aanzien van het al dan niet meewerken aan regularisatie. In het onder 4.3.1 tot en met 4.3.6. beschreven toetsingskader ligt besloten dat ten tijde in geding al werd getoetst of sprake was van voldoende bijzondere omstandigheden om tot regularisatie te komen.
onderschrijfteveneens de stelling van de Svb dat het appellant, na ontvangst van de brief van de Belastingdienst van 16 november 2007, duidelijk kon zijn dat hij verzekerd is in het land waar de exploitant is gevestigd van het schip waarop hij werkzaam is. Deze brief had weliswaar betrekking op het jaar 2004, maar er is in duidelijke bewoordingen aangegeven hoe de verzekeringsplicht van Rijnvarenden is geregeld. Daaraan kan niet afdoen dat appellant in deze brief wordt geconfronteerd met de gevolgen van het niet overleggen van een Rijnvaartverklaring voor het jaar 2004. De – niet verifieerbare – stelling van appellant dat hij niet beschikte over de Rijnvaartverklaring, kan er evenmin aan afdoen, reeds omdat appellant werkzaam is geweest als tweede kapitein en uit dien hoofde wist of had moeten weten dat een dergelijk document aanwezig moet zijn op een schip. Weliswaar is nadien, zo blijkt uit de brief van de Svb van 14 september 2009, een regularisatieovereenkomst afgesloten voor de periode van 1 april 2004 tot en met 31 december 2007, maar hieraan kon appellant niet de verwachting ontlenen dat ook voor tijdvakken daarna tot regularisatie zou worden overgegaan.
vanaf 1 januari 2008onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Ter zitting heeft de Svb echter te kennen gegeven dat ten onrechte niet actief is onderzocht en bezien of er in het geval van appellant anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan eventueel toch medewerking kan worden verleend aan een verzoek tot regularisatie. De Svb zal dit dus nog moeten onderzoeken.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de nieuwe beslissingen op bezwaar worden genomen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat beroep tegen de door de minister en de Svb te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar alleen bij de Raad kan worden ingesteld;
- bepaalt dat de Svb aan betrokkene het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van