ECLI:NL:CRVB:2020:1418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellante ontvangt sinds haar achttiende verjaardag een Wajong-uitkering vanwege een verstandelijke beperking en was aanvankelijk voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Met de invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen bezit. Dit leidde tot een verlaging van haar uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar het UWV heeft dit bezwaar ongegrond verklaard op basis van rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellante tegen deze beslissing afgewezen, omdat haar stelling dat zij geen arbeidsvermogen heeft niet met objectieve medische gegevens was onderbouwd.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald zonder verdere onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante arbeidsvermogen heeft. Uit haar opleiding, stages en dienstverband blijkt dat zij beschikt over basale werknemersvaardigheden en belastbaar is voor ten minste vier uur per dag, met ondersteuning op de werkplek.
De Raad concludeert dat de verlaging van de Wajong-uitkering terecht is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante arbeidsvermogen heeft en haar Wajong-uitkering terecht is verlaagd.