ECLI:NL:CRVB:2020:1424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Wajong-uitkering ondanks persoonlijke omstandigheden appellant
Appellante ontvangt sinds 2008 een Wajong-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV constateerde dat zij sinds februari 2013 inkomsten had uit een dienstverband, waarop zij de uitkering deels heeft herzien en een bedrag van €37.897,15 heeft teruggevorderd.
Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, onder meer vanwege haar persoonlijke, psychische en fysieke beperkingen en de hoogte van de terugvordering en aflossingscapaciteit. Deze bezwaren werden door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard, waarna appellante in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit tot herziening en terugvordering in rechte vaststaat. Appellante heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd en geen gegevens aangeleverd die de onjuistheid van het teruggevorderde bedrag of de aflossingscapaciteit aantonen. Ook zijn de maatschappelijke en sociale gevolgen onvoldoende toegelicht.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde Wajong-uitkering en wijst het hoger beroep af.