ECLI:NL:CRVB:2020:1428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde pgb-voorschotten wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante had van het zorgkantoor een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor AWBZ-zorg in 2014. Het zorgkantoor stelde het pgb bij besluit op nihil vast en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten van €27.627,15 terug omdat appellante niet had voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de terugvordering te doen. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk was verleend, betaald en uit het pgb mocht worden betaald. Ook de door appellante overgelegde aanvullende stukken boden onvoldoende duidelijkheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij de verzekerde ligt en dat een belangenafweging moet voorkomen dat het besluit leidt tot een onevenredige uitkomst. Gezien de onduidelijkheden en het ontbreken van bewijs werd het hoger beroep verworpen.
De Raad wees tevens op de bevoegdheid van het zorgkantoor tot terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Er waren geen omstandigheden die terugvordering redelijkerwijs in de weg stonden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van het pgb door het zorgkantoor wordt bevestigd.