ECLI:NL:CRVB:2020:144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwachte geschiktheid voor bevordering binnen politiefunctionarisfunctie
Appellant, sinds 2004 werkzaam als [functienaam 1] binnen de politie, verzocht om bevordering naar de functie van [functienaam 2] GGP. De korpschef wees dit af wegens het ontbreken van verwachte geschiktheid, mede gebaseerd op een onvoldoende assessmentscore en negatieve adviezen van leidinggevende [A.].
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de korpschef onvoldoende inzicht gaf in de beoordelingscriteria en dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid. Na nadere onderbouwing en aanvullend advies van [A.] handhaafde de korpschef het negatieve besluit. De rechtbank stelde dat het advies voldoende was onderbouwd en dat de korpschef in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het ontbreken van schriftelijke instructies onzorgvuldig was en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarop het oordeel was gebaseerd. De Raad concludeerde dat het ontbreken van schriftelijke richtlijnen op zichzelf niet leidt tot onzorgvuldigheid en dat de korpschef op basis van de gehanteerde criteria terecht tot een negatief oordeel kwam.
De Raad bevestigde dat het negatieve advies van [A.] voldoende was onderbouwd, waarbij aspecten als taakaccenten en begeleiding van collega’s werden betrokken. Ook de eerdere beoordelingen uit 2010 en 2012 ondersteunden dit oordeel, ondanks enkele kanttekeningen over solistisch werkgedrag. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het negatieve oordeel over de verwachte geschiktheid van appellant en wijst het hoger beroep af.