ECLI:NL:CRVB:2020:1451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was sinds juni 2011 werkzaam als administratief medewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Na beëindiging van het dienstverband en het uitlopen van de ziektewetperiode, vroeg appellant een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering. Tevens beëindigde het UWV later de ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling met terugwerkende kracht plaatsvond en dat zijn beperkingen onderschat waren, mede omdat zijn psychische klachten het niet verschijnen bij behandelaars verklaarden. Ook stelde hij dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij relevante medische informatie was meegewogen. De beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijsten waren niet onderschat en de geselecteerde functies waren medisch geschikt. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en de beëindiging van de ZW-uitkering.