ECLI:NL:CRVB:2020:1469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet nakomen inlichtingenverplichting bij bijstand
Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijstand sinds 2012. Uit onderzoek van de gemeente Den Haag bleek dat appellante in de periode van 21 november 2016 tot en met 18 juni 2017 bij twee werkgevers in loondienst werkte zonder dit te melden. Het college legde daarop een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank had de boete verlaagd van € 1.465,59 naar € 977,06 wegens onvoldoende onderbouwing van grove schuld. Appellante stelde in hoger beroep dat haar persoonlijke omstandigheden, waaronder langdurige ziekte en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen en dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid.
De Raad oordeelt echter dat appellante de verplichting tot melding heeft geschonden en dat haar omstandigheden onvoldoende rechtvaardigen dat zij niet verantwoordelijk gehouden kan worden. Het medisch advies toont aan dat zij adequaat behandeld is en niet in een toestand verkeerde die haar schending onaanrekenbaar maakt. De boete van € 977,06 is proportioneel en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De boete van € 977,06 wegens het niet melden van inkomsten tijdens bijstand wordt bevestigd.