Uitspraak
20.11 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. Medewerkers van de gemeente Tilburg ontdekten tijdens een wijkonderzoek dat zij vanuit haar berging een kroeg uitbaatte. De berging was professioneel ingericht met een keuken, tapinstallatie, muziekinstallatie, pooltafel en een aanzienlijke drankvoorraad. Appellante gaf toe regelmatig gasten te ontvangen en een muntjessysteem te hebben gebruikt.
Het college trok de bijstand per 1 december 2018 in en vorderde de bijstandskosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat appellante niet had gemeld dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat de activiteiten in de berging op geld waardeerbare arbeid betroffen, ongeacht het feit of er daadwerkelijk inkomsten werden genoten. De intrekking en terugvordering zijn daarom rechtsgeldig. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het uitbaten van een kroeg vanuit de berging worden bevestigd.