ECLI:NL:CRVB:2020:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant, werkzaam als toezichthouder/schoonmaker, meldde zich in 2011 ziek met diverse klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechtering in 2016 wees het UWV opnieuw een WIA-uitkering af per 2014, omdat de klachten een andere oorzaak hadden dan eerder vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische conclusies logisch waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten voortvloeiden uit hetzelfde ongeluk en dat ook psychische klachten waren verergerd.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en volledig, uitgevoerd door verzekeringsartsen die alle relevante informatie meenamen. Er was voldoende aannemelijk gemaakt dat de klachten in 2014 een andere oorzaak hadden dan in 2013, en appellant overlegde geen nieuwe medische informatie die dit zou weerleggen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens een andere ziekteoorzaak.