ECLI:NL:CRVB:2020:1481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator II, meldde zich ziek met lichamelijke en later ook psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn laatst verrichte werk. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant niet gedurende 104 weken ziek was en minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen in de FML overeenstemden met de medische situatie. Ook de arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies binnen de beperkingen passen.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere beoordeling ondermijnen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering is toegekend. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen of aan de geschiktheid voor de geselecteerde functies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.