ECLI:NL:CRVB:2020:1510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
17 juli 2020
Zaaknummer
18/6189 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen en toekenning inkomensondersteuning AOW

Appellant, woonachtig in Canada, ontving een AOW-pensioen met korting vanwege niet-verzekerde jaren en tot 1 januari 2015 een koopkrachttegemoetkoming (KOB). De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de KOB per 1 januari 2015 ingetrokken en vervangen door een inkomensondersteuning AOW, afhankelijk van het aantal verzekerde jaren, wat voor appellant resulteert in een lager bedrag.

Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging, maar dit werd door de rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de inbreuk op het eigendomsrecht van appellant gerechtvaardigd was en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij onder het bestaansminimum zou komen.

In hoger beroep stelde appellant dat de proportionaliteit niet was gewaarborgd en dat de Svb geen individueel onderzoek had verricht naar zijn situatie. De Raad oordeelde dat de tegemoetkoming een relatief geringe fiscale aanvulling is en dat de Svb geen individueel onderzoek hoefde te doen, mede omdat appellant dit pas na het besluit aanvoerde.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de KOB en toekenning van lagere inkomensondersteuning AOW.

Uitspraak

18.6189 AOW

Datum uitspraak: 16 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2018, 18/2909 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Canada) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant woont in Canada en ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) waarop een korting is toegepast omdat hij een aantal jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant ontving daarnaast tot 1 januari 2015 een tegemoetkoming KOB (Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen), gebaseerd op de Regeling koopkrachttegemoetkoming niet-KOB-gerechtigden met een AOW-pensioen (Regeling tegemoetkoming KOB). Deze tegemoetkoming KOB was een vast bedrag per maand, van laatstelijk € 25,12.
1.2.
Bij besluit van 23 december 2014 heeft de Svb laten weten dat de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 vervalt en dat aan appellant per die datum een inkomensondersteuning AOW wordt toegekend. De hoogte van deze inkomensondersteuning AOW is afhankelijk van het aantal verzekerde jaren voor de AOW. Voor appellant houdt dit in dat hij recht heeft op
€ 11,15 (44%) bruto per maand.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 22 maart 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de vervanging van de tegemoetkoming KOB door de veel lagere inkomensondersteuning een inmenging vormt in het eigendomsrecht van appellant als bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol), maar dat deze inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellant zijn stelling dat hij onder het bestaansminimum komt door de afschaffing, niet heeft onderbouwd. De Svb heeft hierdoor naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de KOB niet te beëindigen. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3826, en van
3 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4291, heeft de Svb redelijkerwijs kunnen afzien van het maken van een aparte afweging voor appellant.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol, omdat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Daartoe is aangevoerd dat de Svb ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie van appellant.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De stelling van appellant dat door de intrekking van de KOB, onder toekenning van een lager bedrag aan inkomensondersteuning AOW, op hem een onevenredige individuele last is komen te rusten, wordt niet onderschreven. De tegemoetkoming vormt niet een primaire, door verzekerde jaren, opgebouwde inkomensbron, maar een als relatief gering bedoelde aanvulling hierop in verband met de inrichting van het Nederlandse fiscale stelsel. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4290 en 4291. De Svb hoefde hiernaar geen individueel onderzoek te doen. De Raad merkt overigens op dat appellant pas na de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gesteld dat van zo’n onevenredige individuele last sprake is. Ook om die reden was er voor de Svb geen aanleiding om tijdens de bezwaarprocedure nader onderzoek te verrichten.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en C.H. Bangma en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P. Boer