ECLI:NL:CRVB:2020:1516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dienverplichting en compensatie bij vertraging opleiding vlieger
Appellant is in 2012 aangesteld bij de krijgsmacht met een dienverplichting van tien jaar na afronding van zijn opleiding tot vlieger. Door logistieke vertragingen liep zijn opleiding langer dan verwacht, waarop appellant bezwaar maakte tegen de duur van zijn dienverplichting en de wijze van compensatie.
De Raad oordeelt dat de dienverplichting terecht niet is verkort omdat deze aanvangt na afronding van de opleiding en de vertraging buiten schuld van appellant is ontstaan. Het enkele feit van vertraging is onvoldoende reden om de dienverplichting te verkorten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat appellant niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een kortere dienverplichting en de situatie van collega’s wezenlijk anders was.
Verder is vastgesteld dat de compensatie voor de vertraging, gebaseerd op een buitenwettelijke regeling, consistent en correct is toegepast. De Raad kan het beleid niet toetsen op redelijkheid maar ziet geen aanwijzingen voor inconsistentie. Ook de weigering tot vervroegde bevordering is juist, omdat bevordering onlosmakelijk is verbonden aan functietoewijzing.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de dienverplichting niet wordt verkort en de compensatie voor vertraging voldoende is toegepast.