ECLI:NL:CRVB:2020:1521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bijstand met terugwerkende kracht na verkregen verblijfstitel onder voorwaarden
Appellante, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 15 februari 2018 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat zij niet beschikte over een verblijfstitel die recht gaf op bijstand. Later verleende de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan appellante een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 8 oktober 2014.
Het college wijzigde daarop het besluit gedeeltelijk en kende bijstand toe vanaf 15 februari 2018. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, verwijzend naar vaste rechtspraak dat bij terugwerkende kracht verleende verblijfstitels in beginsel recht geven op bijstand met terugwerkende kracht, mits de aanvrager aannemelijk maakt dat hij kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt die nog niet zijn gedekt.
Appellante stelde dat zij psychische klachten had, verbleef in nachtopvang en geen inkomen had, en dat zij daarom bijstand met terugwerkende kracht tot 8 oktober 2014 moest krijgen. De Raad gaf haar de gelegenheid dit aannemelijk te maken, maar zij reageerde niet. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt in de periode 8 oktober 2014 tot 15 februari 2018 die nog niet waren voorzien. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt in de periode waarvoor zij bijstand met terugwerkende kracht vordert.