ECLI:NL:CRVB:2020:1538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
19/3571 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding in bijstandszaak

Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam bezwaar gemaakt tegen een besluit tot herziening van haar bijstand over juni 2018 en terugvordering van €439,83. Na afwijzing van het bezwaar stelde zij beroep in bij de rechtbank Rotterdam, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat stress en de afwezigheid van haar maatschappelijk werkster, die haar hielp met postverzorging, de overschrijding veroorzaakten.

De Raad overwoog dat de beroepstermijn zes weken bedraagt en dat een overschrijding alleen verschoonbaar is als niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim was. De veronderstelling van appellante en haar begeleidster dat het beroep nog tot 17 januari 2019 kon worden ingediend was onjuist. Volgens vaste rechtspraak wordt het handelen of nalaten van een belangenbehartiger toegerekend aan de cliënt. Daarom werd de overschrijding niet als verschoonbaar beoordeeld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

19.3571 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2019, 19/288 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 juli 2020
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 31 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2018 tot en met 30 juni 2018 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 439,83 van appellante teruggevorderd.
1.2.
Bij brief van 17 januari 2019, door de rechtbank ontvangen op diezelfde dag, heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van een niet verschoonbaar geachte termijnoverschrijding.
3. Appellante heeft in zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij veel stress had door de zorgen over haar zoon. In verband hiermee heeft appellante ondersteuning van een begeleidster voor onder andere de verzorging van de post. Appellante en haar begeleidster verkeerden in de veronderstelling dat appellante tot vrijdag 17 januari 2019 de tijd had om beroep in te stellen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.
4.2.
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Vaststaat dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. In dit geding is de vraag aan de orde of de overschrijding van de beroepstermijn ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb verschoonbaar is.
4.4.
Evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden, komt de Raad tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante had ten tijde hier van belang in verband met stress voor de behartiging van haar belangen, waaronder de verzorging van de post, een maatschappelijk werkster (X) ingeschakeld, die in december 2018 op vakantie was. Na terugkeer van X van haar vakantie verkeerden appellante en X in de - naar later is gebleken: onjuiste - veronderstelling dat het beroep nog tot in de week van 15 januari 2019 kon worden ingediend. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat deze omstandigheid voor risico van appellante komt, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3577) wordt het handelen of nalaten van een belangenbehartiger in beginsel toegerekend aan degene die zijn zaken door die persoon laat waarnemen.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2020.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) L. Hagendijk