Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
19/5150 AW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77, eerste lid, onder j, Besluit algemene rechtspositie politieArt. 78, eerste lid, Besluit algemene rechtspositie politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke maatregel wegens plichtsverzuim ambtenaar niet in stand na vervallen tenlastelegging

De korpschef van politie legde betrokkene op 16 maart 2017 een disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag op wegens ernstig plichtsverzuim, gebaseerd op een tenlastelegging die onder meer handelen in strijd met de ambtsinstructie omvatte.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuwe beslissing op bezwaar, omdat het belangrijkste deel van de tenlastelegging – het handelen in strijd met de ambtsinstructie – was komen te vervallen. Hierdoor kon de opgelegde straf geen stand houden.

De korpschef nam vervolgens een nieuwe beslissing waarbij een lichtere disciplinaire maatregel werd opgelegd, namelijk een gedeeltelijke inhouding van het salaris met een proeftijd van twee jaar. Betrokkene stemde hiermee in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep van de korpschef tegen de vernietiging van het oorspronkelijke besluit niet slaagt, omdat de gedragingen weliswaar hetzelfde zijn gebleven, maar in een ander licht staan zonder de ambtsinstructie als verwijt. De Raad veroordeelde de korpschef tot betaling van de proceskosten van betrokkene en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De opgelegde disciplinaire maatregel kan niet in stand blijven na het vervallen van het belangrijkste deel van de tenlastelegging.

Uitspraak

19.5150 AW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 november 2019, 19/951 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De korpschef van politie (korpschef)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 9 juli 2020
Zitting hebben: B.J. van de Griend, C.H. Bangma, C.P.J. Goorden
Griffier: L.R. Daman
De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.F.M.J. van den Einden. Betrokkene is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. J. Sajtos.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.050,-;
- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 519,- wordt geheven.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Nadat de korpschef op 28 november 2016 een voornemen daartoe kenbaar heeft gemaakt, waarop betrokkene schriftelijk zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de korpschef bij besluit 16 maart 2017 met toepassing van de artikel 77, eerste lid, onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 78, eerste lid, van het Barp betrokkene wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd.
Bij besluit van 12 februari 2019 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2017 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene de hem verweten gedragingen heeft begaan. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het belangrijkste deel van de tenlastelegging, het handelen in strijd met de Ambtsinstructie, is komen te vervallen. Met het vervallen van het belangrijkste deel van de tenlastelegging kan de opgelegde maatregel geen stand houden. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Geoordeeld wordt dat indien de korpschef bij het nieuw te nemen besluit ervoor kiest een disciplinaire straf op te leggen deze straf in het licht van het evenredigheidsbeginsel en wat voor het overige is overwogen minder zwaar dient te zijn.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2020 aan betrokkene een gedeeltelijke inhouding van het salaris opgelegd tot het bedrag van het salaris over een halve maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder e, jo artikel 78 van Pro het Barp, welke proeftijd is ingegaan op 27 maart 2017.
Betrokkene kan zich vinden in deze nieuwe beslissing op bezwaar.
Anders dan de korpschef heeft aangevoerd, en met de rechtbank, is de Raad van oordeel dat met het vervallen van het belangrijkste deel van de tenlastelegging de opgelegde maatregel geen stand kan houden. De verweten gedraging is dezelfde gebleven, maar is in een ander licht komen te staan nu niet langer aan betrokkene wordt tegengeworpen dat hij heeft gehandeld in strijd met de ambtsinstructie.
Het hoger beroep van de korpschef slaagt dan ook niet. Nu betrokkene zich kan vinden in de nieuwe beslissing op bezwaar, wordt deze niet in de beoordeling betrokken.
Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L.R. Daman (getekend) B.J. van de Griend