ECLI:NL:CRVB:2020:159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Werknemer was sinds 2001 in dienst als systeembeheerder en viel in juni 2015 uit wegens progressieve cognitieve achteruitgang. Na een eerste jaar hervatte hij aangepast werk voor 20 uur per week, waarna een tweede spoortraject werd ingezet. Diverse medische onderzoeken, waaronder van Ergatis en ArboNed, concludeerden dat werknemer niet geschikt was voor passend werk, waarop een WIA-uitkering met verkorte wachttijd werd aangevraagd maar afgewezen.
Het UWV stelde later vast dat de werkgever bij de re-integratie was uitgegaan van een onjuiste belastbaarheid, waardoor kansen voor re-integratie werden gemist. Daarom werd een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de werkgever niet adequaat heeft gehandeld en dat het UWV terecht de loonsanctie heeft opgelegd.
De werkgever voerde in hoger beroep aan dat er geen re-integratiekansen waren en dat medische rapporten de beperkingen bevestigden, maar deze argumenten werden niet overtuigend geacht. De Raad vond dat de werkgever had moeten overleggen met de bedrijfsarts en werknemer na de afwijzing van de WIA-aanvraag met verkorte wachttijd om een passend plan op te stellen. De eerdere standpunten van de verzekeringsarts mochten worden herzien. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft in stand.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever wordt bevestigd.