ECLI:NL:CRVB:2020:1596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstand wegens niet-melding onroerend goed en bankrekeningen in Turkije
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar is vanaf 1 juni 2015 gaan werken en vervolgens naar Turkije geremigreerd. Het college van burgemeester en wethouders van Soest beëindigde de bijstand per 5 december 2015 en trok deze terug over de periode van 24 oktober 2013 tot 4 december 2015 wegens het niet verstrekken van juiste en volledige informatie, waaronder het bezit van onroerend goed en bankrekeningen in Turkije.
Het college liet onderzoek verrichten via het Bureau Attaché in Ankara, waaruit bleek dat appellant sinds januari 2015 een woning in Turkije bezat en zes bankrekeningen had geopend waarvan slechts de openingsafschriften waren overgelegd. Appellant heeft niet tijdig en volledig aan zijn inlichtingenplicht voldaan en de later overgelegde bankafschriften werden als te laat buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het bezit van onroerend goed en bankrekeningen relevant is voor de vaststelling van het recht op bijstand en dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat dit geen invloed had op de besluitvorming. Het hoger beroep werd daarom verworpen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.