ECLI:NL:CRVB:2020:161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek en beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was laatstelijk werkzaam als assemblagemedewerker en meldde zich in 2010 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een WIA-uitkering toe op basis van volledige arbeidsongeschiktheid, die later werd herbeoordeeld en aangepast. Na een verzoek tot herbeoordeling door de werkgever in 2016, vond een psychiatrische expertise plaats en concludeerde een verzekeringsarts dat appellant geen medisch objectiveerbare lichamelijke beperkingen had, maar wel beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren vanwege psychische klachten.
Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 62,5%, maar na bezwaar werd dit teruggebracht tot minder dan 35%, waardoor de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de hoorzitting met appellant zorgvuldig was verlopen, ook al vond deze telefonisch plaats met een tolk. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had gemotiveerd en dat er geen medische noodzaak was voor een urenbeperking. Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies, ondanks enkele beperkingen die met beschermende maatregelen konden worden opgevangen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een medisch deskundige of het toekennen van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt terecht beëindigd vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.