ECLI:NL:CRVB:2020:1610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2020
Publicatiedatum
27 juli 2020
Zaaknummer
18/4962 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 19ab ZW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling

Appellant, voormalig taxichauffeur, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling achtte een verzekeringsarts hem belastbaar met beperkingen, en het UWV beëindigde de uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsartsen juist. De stelling van appellant dat hij niet meer dan tien minuten kon lopen, werd niet onderbouwd met een verklaring van de behandelend neuroloog.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen en dat er geen aanleiding is om het medisch standpunt te betwijfelen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

18.4962 ZW

Datum uitspraak: 27 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
1 augustus 2018, 17/5259 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 24 juni 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Putten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als taxichauffeur. Op 16 februari 2016 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens acht functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 97,63% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 15 februari 2017 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 16 maart 2017 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv dossierstudie hebben verricht en met appellant hebben gesproken tijdens een spreekuur en een hoorzitting. De informatie van de behandelend neuroloog van 16 september 2016 is kenbaar betrokken bij het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De daarin vermelde maximale loopafstand van tien minuten, onder het kopje anamnese, is volgens het Uwv geen vaststelling van de neuroloog, maar is wat appellant zelf heeft gesteld. De rechtbank heeft deze verklaring gevolgd en geoordeeld dat geen aanleiding aanwezig is om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden en niet gebleken is dat het medisch standpunt onjuist is. In verband met de rugklachten en de hartritmestoornis zijn beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de informatie van de behandelend neuroloog naar voren komt dat in 2016 sprake is geweest van een rughernia met beïnvloeding van de zenuwwortel. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in aanmerking genomen dat bij het onderzoek door de primaire verzekeringsarts in januari 2017 geen bijzonderheden zijn gevonden. Appellant trainde op dat moment bij OCA en was in staat om vijf tot zes kilometer te wandelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend onderbouwd dat de informatie van de behandelend neuroloog geen reden geeft voor het aannemen van meer beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken en het verzoek van appellant, om een neuroloog als onafhankelijke deskundige in te schakelen, daarom afgewezen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de informatie van de behandelend neuroloog niet juist is overgenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hoewel de neuroloog slechts onder de anamnese heeft vermeld dat appellant maximaal tien minuten kon lopen, deelde hij deze mening ook zelf. De aanname dat appellant vijf tot zes kilometer kon lopen is onjuist. Met name vanwege zijn rugklachten was appellant niet in staat de geselecteerde functies te verrichten. Appellant is van mening dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen en heeft de Raad verzocht om dit alsnog te doen.
3.2.
Het Uwv heeft erop gewezen dat, afgezien van de vraag of appellant terecht in staat is geacht om tien minuten te kunnen lopen, in de geselecteerde functies niet meer dan een minuut wordt gelopen. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd en terecht het ziekengeld met ingang van 16 maart 2017 heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.4.
Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat op de datum in geding geen reden was om voor appellant meer beperkingen op te nemen in verband met zijn rugklachten. Appellant heeft zijn stelling, dat niet alleen hijzelf maar ook de behandelend neuroloog van mening is dat hij niet meer dan tien minuten kan lopen, niet onderbouwd met een verklaring waaruit dit blijkt. Er is daarom geen aanleiding om de juistheid van het door het Uwv ingenomen standpunt over de belastbaarheid van appellant in twijfel te trekken. Het verzoek van appellant om een deskundige in te schakelen wordt om die reden afgewezen.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2020.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) F.E.M. Boon