ECLI:NL:CRVB:2020:1611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende restverdiencapaciteit
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 7 december 2016 ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering van het UWV. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarna het UWV de uitkering beëindigde omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht. De verzekeringsarts betrok medische informatie van de huisarts en handchirurg en concludeerde dat de beperkingen niet tot meer beperkingen leidden dan in de FML waren opgenomen. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de onzorgvuldigheid van het onderzoek en haar beperkingen, waaronder klachten aan linkerpols, linkerknie en rechterschouder, en psychische klachten. De Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij meer beperkt was dan vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.