ECLI:NL:CRVB:2020:1613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen op beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante was werkzaam als toezichthouder kinderdagverblijven en meldde zich in juni 2013 ziek met schouder- en voetklachten. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 26 juli 2016 na een verzekeringsarts oordeelde dat zij geschikt was voor haar arbeid. Appellante stelde dat zij nog steeds ziek was en overhandigde medische informatie die volgens haar nieuwe feiten bevatte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd zoals vereist onder artikel 4:6 Awb Pro. In hoger beroep stelde appellante dat er sprake was van een middenrifbreuk met galstenen en eerdere buikpijnaanvallen die niet waren meegewogen. De Raad oordeelde dat deze medische gegevens niet nieuw waren of niet tot een andere beoordeling konden leiden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de klachten niet eerder objectief waren vastgesteld en dat de eerdere beoordeling terecht was. De Raad bevestigde dat het UWV het besluit tot beëindiging van de uitkering mocht handhaven en dat het verzoek evident onredelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek van appellante om terug te komen op het besluit tot beëindiging van haar Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.