ECLI:NL:CRVB:2020:1620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens weigering medewerking huisbezoek en onderverhuur woning
Appellante ontving bijstand sinds 2007 op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij niet op het opgegeven adres woonde en de woning onderverhuurd was, heeft de gemeente een onderzoek ingesteld. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 16 mei 2018 troffen handhavingsmedewerkers meerdere personen van Bulgaarse afkomst aan. Appellante weigerde medewerking en gaf aan haar uitkering te willen opzeggen.
Het college trok de bijstand per 16 mei 2018 in wegens schending van de medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden.
De Raad oordeelde dat er wel degelijk een redelijke grond voor het huisbezoek was, gebaseerd op een anonieme melding en bevestiging door de woningbouwvereniging. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij woonachtig was op het uitkeringsadres en dat er geen sprake was van onderverhuur. Daarom is de intrekking terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet meewerken aan het huisbezoek wordt bevestigd.