ECLI:NL:CRVB:2020:1622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet wonen op uitkeringsadres bij extreem laag waterverbruik
Appellante ontving bijstand vanaf 1 juni 2017 op basis van inschrijving op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding heeft het college een onderzoek ingesteld waarbij bleek dat appellante niet op het adres woonde. Dit bleek uit het ontbreken van waterverbruik in de periode juni tot oktober 2017, ondanks een laag elektriciteitsverbruik.
Appellante verscheen niet op gesprekken en het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarop appellante hoger beroep instelde. Zij voerde aan dat het elektriciteitsverbruik en verklaringen van buren niet uitsluiten dat zij op het adres verbleef.
De Raad oordeelt dat het extreem lage waterverbruik de veronderstelling rechtvaardigt dat appellante niet woonde op het uitkeringsadres. Het elektriciteitsverbruik is te laag en kan ook zonder aanwezigheid worden verbruikt. Appellante slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken. Het college heeft de bijstand terecht ingetrokken en het hoger beroep faalt.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.