ECLI:NL:CRVB:2020:1660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en niet overleggen gevraagde stukken
Appellante ontvangt sinds maart 2017 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding over mogelijke overbewoning is een onderzoek gestart. Appellante verscheen niet op meerdere uitnodigingen voor een gesprek, waarbij zij werd verzocht stukken zoals bankafschriften mee te nemen. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet herstellen van het verzuim.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken omdat appellante niet binnen de hersteltermijn de gevraagde stukken had verstrekt. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college terughoudend moest zijn met intrekken vanwege het vangnetkarakter van de Participatiewet en dat het belang van haar levensonderhoud zwaarder woog dan het belang van het college bij rechtszekerheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en dat het belang van rechtszekerheid voor de belanghebbende is gediend met een snelle besluitvorming. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet verschijnen en niet overleggen van gevraagde stukken.