ECLI:NL:CRVB:2020:1667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering terecht wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passend opleidingsniveau
Appellante, laatstelijk werkzaam als keuken- en horecamedewerkster, meldde zich ziek met psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanwege een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Later stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid onder de 35% was gedaald en beëindigde de uitkering.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep herzag de beperkingen en concludeerde dat veel beperkingen niet medisch objectief waren vast te stellen. De arbeidsdeskundige selecteerde functies die appellante zou kunnen vervullen, rekening houdend met haar belastbaarheid en opleidingsniveau.
Appellante voerde aan dat haar belastbaarheid onjuist was ingeschat en dat zij niet voldeed aan de opleidingseis VMBO-niveau. De Raad oordeelde dat de medische rapporten voldoende inzichtelijk en gemotiveerd waren en dat er geen aanleiding was een deskundige te benoemen. Tevens werd bevestigd dat appellante, mede door haar opleiding en werkervaring, voldeed aan het vereiste opleidingsniveau.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De WIA-uitkering is terecht beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt en appellante geschikt is voor de geselecteerde functies.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% en passend opleidingsniveau.