ECLI:NL:CRVB:2023:428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met rechterschouderklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, dat haar klachten niet volledig waren meegenomen, en dat zij niet voldeed aan de opleidingseis voor een van de functies. Ook stelde zij dat de functie van schoonmaker hotel te zwaar was vanwege til- en reikbelasting. Het UWV verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.
De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd en onderschreef de rechtbank in haar oordeel dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was. De Raad voegde toe dat de til- en reikbelasting binnen de belastbaarheid van appellante bleef en dat zij voldeed aan de opleidingseis op grond van haar opleiding en werkervaring.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.