ECLI:NL:CRVB:2020:1669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-loonaanvullingsuitkering ondanks geschil over arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig elektromonteur, kreeg een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering op grond van een herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een nieuwe beoordeling leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 46,99% en voortzetting van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en functiegeschiktheid van appellant voldoende waren gemotiveerd. In hoger beroep betoogde appellant dat er aanvullende beperkingen moesten worden erkend, onderbouwd met medische rapporten, maar de Raad volgde het UWV en verwierp deze stellingen wegens onvoldoende onderbouwing en tijdsverschil met de datum van beoordeling.
De Raad oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist en zorgvuldig was en dat de functie van elektronicamonteur passend was, ondanks beperkte fijnmotorische beperkingen. Hoewel het UWV de motivering over deze functie pas in hoger beroep voldoende onderbouwde, was dit gebrek niet benadelend voor appellant. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voortzetting van de WGA-loonaanvullingsuitkering met 46,99% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV in de proceskosten.