ECLI:NL:CRVB:2020:1674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WIA-uitkering op basis van 39,73% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar wijzigde dit later naar 39,73% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. De rechtbank betrok deskundigenrapporten van een neurochirurg en verzekeringsartsen en paste de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan, waarna appellant zijn medische beroepsgronden tegen de FML prijsgaf.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de mate van arbeidsongeschiktheid hoger moest zijn (80-100%) en betwistte de geschiktheid van twee functies vanwege te veel trappenlopen. De Raad overwoog dat appellant de medische grondslag niet meer aanvoerde en dat de overschrijding van het aantal treden bij trappenlopen acceptabel was gezien de lage frequentie en pauzemomenten.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant met ingang van 13 april 2016 terecht een WIA-uitkering ontvangt op basis van 39,73% arbeidsongeschiktheid. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering van 39,73% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.