ECLI:NL:CRVB:2020:1679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsvermogen Wajong-uitkering bij niet-duurzame beperking
Appellant, geboren in 1998, vroeg op 14 juni 2016 een beoordeling van zijn arbeidsvermogen aan bij het UWV vanwege een verstandelijke beperking door zuurstofgebrek bij de geboorte. Het UWV stelde op 10 november 2016 vast dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij op dat moment geen arbeidsvermogen had, maar deze situatie niet duurzaam was. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. Het UWV herstelde dit motiveringsgebrek met aanvullende rapporten. De rechtbank vond dat de indicatie voor beschut werk niet afdoet aan de mogelijkheid dat appellant in de toekomst basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen.
In hoger beroep betoogde appellant dat het ontbreken van arbeidsvermogen wel duurzaam is, maar bracht geen nieuwe medische of arbeidskundige rapporten in. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat op de datum van beoordeling onvoldoende aanwijzingen waren dat appellant niet in staat zou zijn om basale werknemersvaardigheden te ontwikkelen. De indicatie voor beschut werk bevestigt juist dat de situatie niet onherstelbaar is.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.