ECLI:NL:CRVB:2020:1680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WIA-uitkering. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellante voerde medische en arbeidskundige bezwaren aan, waaronder psychische klachten en fysieke beperkingen, en betwistte de beoordeling van haar belastbaarheid in specifieke functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten en vroeg zij om een onafhankelijke deskundige, wat werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat er geen twijfel bestaat aan de medische grondslag van het besluit en dat de arbeidsdeskundige terecht geen nader onderzoek deed naar geluidsbelasting in de functies. Ook de compensatie van de hogere frequentie van gebogen werken in de functie van productiemedewerker industrie werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.