ECLI:NL:CRVB:2020:1685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker, vroeg meerdere keren een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Na diverse afwijzingen en onderzoeken, waaronder een medisch onderzoek door artsen in Marokko en een verzekeringsarts, stelde het UWV vast dat appellant op de peildatum 24 augustus 2009 niet arbeidsongeschikt was (0,00%).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat de medische onderbouwing zorgvuldig was en appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid konden aantonen. Ook de geselecteerde functies werden als medisch geschikt beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen werden onderschat, maar kon dit niet met nieuwe stukken onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 0,00% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft geweigerd.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af. De beslissing werd op 31 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.