ECLI:NL:CRVB:2020:1701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering en maatregel wegens te late aanvraag door psychische klachten
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering die per 14 april 2017 werd beëindigd. Hij vroeg later een WW-uitkering aan, die met terugwerkende kracht werd toegekend vanaf 14 april 2017, maar zonder uitbetaling over de periode tot 12 juni 2017 vanwege te late aanvraag. Tevens werd een maatregel opgelegd van 20% korting op de WW-uitkering voor drie maanden.
Appellant stelde dat zijn psychische problematiek, waaronder ASS en PDD-NOS, hem verhinderde tijdig een aanvraag in te dienen en dat er sprake was van een bijzonder geval. De rechtbank oordeelde dat de medische stukken onvoldoende bewijs boden dat appellant niet tijdig kon handelen of hulp inschakelen. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd als een zorgvuldige en feitelijke beoordeling beschouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling en oordeelde dat het Uwv terecht de maatregel oplegde en dat geen bijzondere omstandigheden waren die een lagere maatregel of afzien daarvan rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat het Uwv niet verplicht was actief contact op te nemen na beëindiging van de ZW-uitkering. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering over de periode 14 april tot 12 juni 2017 en de oplegging van een maatregel van 20% korting voor drie maanden.