ECLI:NL:CRVB:2020:1731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bezwaar tegen WIA-besluit
Appellant was sinds 30 december 2011 volledig arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 100% was, waardoor zijn uitkering niet wijzigde. De ex-werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat appellant recht had op een IVA-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van 23 april 2018, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat appellant zelf geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit van 5 december 2016. De rechtbank oordeelde dat appellant dit verwijt kan worden gemaakt omdat hij zich had moeten verdiepen in zijn uitkeringssituatie en contact had kunnen opnemen met het UWV.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onduidelijk was op welke grondslag zijn uitkering was gebaseerd en dat hij recht had op een IVA-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden reeds door de rechtbank zijn behandeld en onderschreef het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Een kennelijke verschrijving in het dictum werd gecorrigeerd zonder dat appellant in zijn belangen werd geschaad. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaar tegen het primaire WIA-besluit.