ECLI:NL:CRVB:2020:1755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit minister over herziening studiefinanciering wegens niet-uitwonende status
Appellant stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen en ontving studiefinanciering als uitwonende student. Na een huisbezoek door controleurs concludeerde de minister dat appellant feitelijk niet op dat adres woonde, waardoor de studiefinanciering vanaf 2012 moest worden herzien en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er nauwelijks persoonlijke spullen van appellant op het adres werden aangetroffen en dat de kamer ook door hoofdbewoners werd gebruikt. Appellant voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde argumenten aan als eerder, zonder nieuwe feiten of argumenten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de aanwezigheid van medicijnen van hoofdbewoners en het ontbreken van administratie en persoonlijke spullen van appellant een sterke indicatie vormen dat appellant niet op het adres woonde. Ook poststukken met onvolledige adresgegevens konden geen bewijs leveren. De verklaringen van de hoofdbewoners konden de feitelijke constateringen niet weerleggen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant niet woonde op het BRP-adres.