ECLI:NL:CRVB:2020:1755

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2020
Publicatiedatum
5 augustus 2020
Zaaknummer
19/899 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit minister over herziening studiefinanciering wegens niet-uitwonende status

Appellant stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen en ontving studiefinanciering als uitwonende student. Na een huisbezoek door controleurs concludeerde de minister dat appellant feitelijk niet op dat adres woonde, waardoor de studiefinanciering vanaf 2012 moest worden herzien en teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er nauwelijks persoonlijke spullen van appellant op het adres werden aangetroffen en dat de kamer ook door hoofdbewoners werd gebruikt. Appellant voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde argumenten aan als eerder, zonder nieuwe feiten of argumenten.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de aanwezigheid van medicijnen van hoofdbewoners en het ontbreken van administratie en persoonlijke spullen van appellant een sterke indicatie vormen dat appellant niet op het adres woonde. Ook poststukken met onvolledige adresgegevens konden geen bewijs leveren. De verklaringen van de hoofdbewoners konden de feitelijke constateringen niet weerleggen.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant niet woonde op het BRP-adres.

Uitspraak

19/899 WSF
Datum uitspraak: 5 augustus 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2019, 18/3036 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020. Voor appellant is verschenen mr. Stout. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond vanaf 12 augustus 2011 in – tegenwoordig – de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven onder het adres [adres] in [woonplaats]. Appellant heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Op 22 januari 2018 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.3.
Bij besluit van 9 februari 2018 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 14.668,16 van hem teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 22 mei 2018 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellant tegen het besluit van 9 februari 2018 gegrond verklaard voor zover deze de periode januari tot en met december 2012 betreffen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat appellant niet woonachtig was op het adres waaronder hij in de BRP stond ingeschreven. Uit het rapport van het huisbezoek blijkt dat op het BRP-adres geen persoonlijke naar appellant herleidbare spullen zijn gevonden. Er lag maar nauwelijks kleding van appellant in de slaapkamer, terwijl daar wel kleding van de hoofdbewoners werd aangetroffen. Appellant wist niet wat de inhoud van de kasten was in de slaapkamer die van hem zou zijn. Hij stelde dat zijn sokken en onderbroeken in een bepaalde kast zouden liggen, maar dit bleek niet te kloppen. Ook gaf appellant zelf aan dat het merendeel van zijn spullen op het ouderlijk adres zou liggen. Appellant moest kloppen om binnengelaten te worden in de woning op het BRP-adres, omdat hij geen eigen huissleutel had; hij zou de huissleutel delen met de hoofdbewoner. Tot slot is bij de controle vastgesteld dat er geen administratie van appellant aanwezig was.
3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op het BRP-adres. Ter motivering van dit standpunt heeft appellant herhaald wat hij eerder heeft aangevoerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat in hoger beroep is aangevoerd is een vrijwel woordelijke herhaling van wat in (bezwaar en) beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden gewogen en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. Uit het hogerberoepschrift blijkt niet waarom dat oordeel niet juist zou zijn.
4.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.1.
Ten tijde van het huisbezoek zijn er nauwelijks tot appellant te herleiden spullen aangetroffen, terwijl de kamer, getuige de plaatsing van een nieuwe kast op die kamer door de hoofdbewoners en het daarin opbergen van eigen spullen, (ook) in gebruik was bij de hoofdbewoners. Bovendien zijn op de kamer medicijnen van een van de hoofdbewoners aangetroffen, wat een contra-indicatie is voor het gebruik van die kamer door appellant. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2428.
4.3.2.
De poststukken van Tele2 zijn voorzien van onvolledige adresgegevens ([huisnummer 1]), waardoor aan deze post, gegeven het huisnummer van het BRP-adres van zijn moeder ([huisnummer 2]), vrijwel geen bewijswaarde kan worden toegekend.
4.3.3.
De verklaringen van de hoofdbewoners kunnen weinig afdoen aan de feitelijke constateringen ten tijde van het huisbezoek.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) L.R. Daman