ECLI:NL:CRVB:2020:179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inschrijving KvK en ontbrekende administratie
Appellanten ontvingen bijstand sinds februari 2013 en stonden vanaf november 2016 als bestuurder en aandeelhouder ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) voor een onderneming. Het college stelde na een intern vermoeden van fraude een onderzoek in en constateerde dat appellanten deze inschrijving niet hadden gemeld en geen verifieerbare administratie hadden overgelegd.
Het college schortte het recht op bijstand op en beëindigde het later, met terugvordering van de uitbetaalde bijstand over de periode van november 2016 tot augustus 2017. Appellanten voerden aan dat zij hun ondernemingsplannen wel hadden gemeld via een aanvraag bijstand zelfstandigen (Bbz 2004), maar de Raad oordeelde dat dit geen vervanging was van de verplichte melding van de KvK-inschrijving.
De Raad stelde vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij geen op geld waardeerbare werkzaamheden hadden verricht, mede doordat de overgelegde omzetbelastingaangiftes en winst- en verliesrekening niet objectief en verifieerbaar waren en de bankafschriften juist zakelijke activiteiten lieten zien.
Daarmee was het recht op bijstand niet vast te stellen en was de intrekking van de bijstand en terugvordering terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.