ECLI:NL:CRVB:2020:1790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven voor AOW-pensioen na langdurig huwelijk
Appellanten, gehuwd sinds 1965, verzochten de Sociale verzekeringsbank (Svb) om hun AOW-pensioen te herzien naar de norm voor ongehuwden omdat zij duurzaam gescheiden zouden leven sinds maart 2018. De Svb stelde na onderzoek vast dat zij niet duurzaam gescheiden leefden en behield het gehuwdenpensioen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de feitelijke omstandigheden, zoals regelmatig contact, gezamenlijke reizen, financiële verwevenheid en gezamenlijk eigendom van de woning, wezen op onderlinge zorg en geen duurzaam gescheiden leven.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat partijen hun leven afzonderlijk leiden alsof zij niet gehuwd zijn en dat deze toestand bestendig moet zijn bedoeld. Hoewel appellanten eind 2017 uit elkaar wilden gaan, was er in maart 2018 nog geen sprake van een duurzame verbreking van de echtelijke samenleving. De financiële en sociale verwevenheid was nog aanwezig, wat niet strookt met duurzaam gescheiden leven.
De Raad verwees naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat het niet samenwonen alleen onvoldoende is om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De motieven voor het niet verbreken van de samenleving zijn niet relevant. De situatie per maart 2018 is bepalend en op dat moment was er geen duurzaam gescheiden leven. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de AOW-uitkering bleef ongewijzigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen; appellanten leefden niet duurzaam gescheiden in maart 2018 en het AOW-pensioen blijft ongewijzigd.