ECLI:NL:CRVB:2020:1805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.F. Wagner
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde kasstortingen en niet-woonachtig op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand en later de Participatiewet, ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een onderzoek naar contante stortingen op haar bankrekening en verbruiksgegevens van het uitkeringsadres concludeerde het college dat zij niet op het uitkeringsadres woonde en inkomsten niet had gemeld.
Het college herzag en trok de bijstand over diverse maanden in en vorderde bedragen terug. Appellante voerde verweer, onder meer over de juistheid van verbruiksgegevens, maar slaagde hier niet in. De Raad oordeelde dat de kasstortingen als inkomen moeten worden aangemerkt en dat het lage water-, gas- en elektriciteitsverbruik en andere feiten aannemelijk maken dat appellante niet op het uitkeringsadres verbleef.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het college en de eerdere uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat de inlichtingenverplichting was geschonden en dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde kasstortingen en het niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres.