ECLI:NL:CRVB:2020:1835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten en ontving sindsdien diverse uitkeringen, waaronder een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid vanaf 22 juni 2017 tussen 80 en 100% lag, maar latere onderzoeken gaven aan dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van haar uitkering en stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, mede door ernstige psychische klachten. Diverse medische rapporten, waaronder van verzekeringsartsen bezwaar en beroep, concludeerden echter dat haar beperkingen niet zo ernstig waren als zij stelde en dat de geselecteerde functies passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit van het UWV was gebaseerd op een zorgvuldig en gemotiveerd medisch en arbeidskundig onderzoek. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, omdat appellante geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35% en dat appellante in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante is terecht beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.