ECLI:NL:CRVB:2020:1838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich op 1 september 2012 ziek. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding in oktober 2017 besloot het UWV op 14 november 2017 dat appellante vanaf 15 november 2017 niet meer arbeidsongeschikt was in de zin van de Ziektewet.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd ondersteund door een verzekeringsartsrapport van januari 2018. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medische oordeel zorgvuldig was en alle klachten waren meegewogen. Appellante bracht in hoger beroep naar voren dat de rechtbank ten onrechte het bijzondere karakter van het verzekeringsgeneeskundig rapport had benadrukt en niet had getoetst aan het beginsel van equality of arms.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medische oordeel juist is en dat appellante met haar klachten in staat is om de maatgevende arbeid te verrichten. Nadere medische gegevens zijn niet overgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.