ECLI:NL:CRVB:2020:1839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na medische beoordeling
Appellante viel in 2010 uit voor haar werk als verkoopmedewerker wegens lichamelijke klachten en kreeg vanaf 2012 een WIA-uitkering. Na een melding van verslechtering in 2016 onderzocht een verzekeringsarts de situatie, die geen verslechtering vaststelde. Het UWV handhaafde het uitkeringsbesluit, maar na bezwaar en aanvullend onderzoek werd de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 50,41%, wat leidde tot een herziening van de uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 augustus 2017 voldoende rekening hield met de klachten van appellante, inclusief psychische beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten en medicijngebruik onvoldoende waren meegewogen, maar kon dit niet met nieuwe medische gegevens onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had adequaat gemotiveerd waarom geen verdere beperkingen nodig waren en de arbeidsdeskundige had overtuigend toegelicht dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante vielen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV over de arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering bevestigd.