ECLI:NL:CRVB:2020:1842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toename beperkingen
Appellante was sinds 2007 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2009 een WGA-uitkering. In 2014 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder 35%, waardoor de uitkering werd beëindigd. In 2018 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid, met name rugklachten na een operatie, en verzocht zij om hernieuwde toekenning van een WIA-uitkering.
Het UWV liet een verzekeringsarts onderzoek doen die concludeerde dat de rugklachten in 2018 een andere oorzaak hadden dan de klachten waarop de eerdere uitkering was gebaseerd, en dat de psychische beperkingen niet waren toegenomen. Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar psychische klachten ernstig zijn toegenomen, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren toegenomen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van beperkingen.