ECLI:NL:CRVB:2020:1846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondheid beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomensondersteuning AOW
Appellante, weduwe van een overleden echtgenoot die een AOW-pensioen ontving, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat de tegemoetkoming KOB is beëindigd en vervangen door inkomensondersteuning AOW. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard omdat de echtgenoot op datum van overlijden niet verzekerd was voor de ANW.
Na overlijden van de echtgenoot heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen een besluit op bezwaar dat niet aan haar, maar aan de erven was gericht. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het schrijven geen rechtsgevolgen voor haar had. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over haar financiële situatie, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de gronden geen doel treffen. De Raad bevestigde dat de wetgever de gevolgen van het afschaffen van de tegemoetkoming KOB heeft voorzien en dat er geen onrechtmatigheid is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.