ECLI:NL:CRVB:2020:1855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2010 werkloos en ziekgemeld met diverse klachten, waaronder bewegingsbeperkingen en darmproblemen. In 2013 werd een volledige WIA-uitkering toegekend, maar na herbeoordeling in 2015 en 2017 concludeerde het Uwv dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot circa 33%, waardoor de uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en stelde onder meer dat haar klachten onverminderd waren en dat zij door taalachterstand en gebrek aan computervaardigheden niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen, waarbij ook de psychische en fysieke klachten waren betrokken.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten zonder nieuwe medische informatie aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat taalachterstand en computervaardigheden volgens het Schattingsbesluit niet leiden tot ongeschiktheid voor functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.