Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2020
Publicatiedatum
13 augustus 2020
Zaaknummer
19/1676 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 aanhef en onder b AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wijziging AOW-pensioen naar gehuwdennorm wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven

Appellante, woonachtig in Spanje, is gehuwd en haar echtgenoot woont in Frankrijk. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende haar aanvankelijk een AOW-pensioen toe volgens de alleenstaandennorm. Na een onderzoek in 2017, inclusief een huisbezoek en een ingevuld formulier door appellante en haar echtgenoot, concludeerde de Svb dat appellante niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Op basis hiervan wijzigde de Svb het pensioen per 1 augustus 2017 naar de gehuwdennorm.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze wijziging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het samenwonen niet vereist is voor het beëindigen van de echtelijke samenleving en dat diverse feitelijke omstandigheden, zoals het gezamenlijk eigendom van woningen, het gebruik van elkaars sleutels, gezamenlijke bankrekeningen en wederzijdse verzekeringen, wijzen op het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.

In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad benadrukte dat duurzaam gescheiden leven betekent dat beide echtgenoten hun leven als gehuwd niet meer gezamenlijk leiden en dat dit bestendig moet zijn. De feitelijke omstandigheden wezen volgens de Raad niet op een dergelijke situatie. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de wijziging van het pensioen naar de gehuwdennorm bleef van kracht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het AOW-pensioen blijft gewijzigd naar de gehuwdennorm.

Uitspraak

19.1676 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2019, 17/6955 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 31 juli 2020
Zitting heeft: mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: F.E.M. Boon.
Ter zitting zijn verschenen: Appellante is – met bericht van verhindering – niet verschenen. Voor de Svb heeft telefonisch deelgenomen mr. J.H.A. Koning.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante is getrouwd met [X.] (echtgenoot). Appellante woont in Spanje en haar echtgenoot woont in Frankrijk. De Svb heeft aan appellante met ingang van december 2010 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm van een alleenstaande. In 2017 is de Svb een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft er op 19 juni 2017 een huisbezoek plaatsgevonden in de woning van de echtgenoot van appellante in Frankrijk en is met appellante en haar echtgenoot gesproken. Op 21 juni 2017 hebben zij het formulier “Onderzoek DGL” ingevuld en ondertekend. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is bij besluit van 1 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 oktober 2017 (bestreden besluit), het ouderdomspensioen van appellante per
1 augustus 2017 gewijzigd naar een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde.
De Svb heeft vastgesteld dat de woonsituatie in het verleden onjuist is beoordeeld en appellante nooit duurzaam gescheiden heeft geleefd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak (uitspraak van
1 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:612) heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de feitelijke omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek van de Svb, niet blijkt dat appellante duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. De rechtbank acht daarbij van belang dat appellante en haar echtgenoot in ieder geval een aantal maanden per jaar bij elkaar verblijven, zij beiden eigenaar zijn van de woningen in Spanje en Frankrijk en zij beiden de sleutels hebben van beide woningen. Verder acht de rechtbank van belang dat appellante en haar echtgenoot bij overlijden van elkaar erven, dat appellante is meeverzekerd op de Franse ziektekostenverzekering van haar echtgenoot en dat appellante en haar echtgenoot ten tijde in geding een gezamenlijke bankrekening hadden. Gelet op het samenstel van omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een duurzaam gescheiden leven tussen appellante en haar echtgenoot.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij handhaaft haar standpunt dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.
4.1.Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017, ECLI:NL:CRVB:2019:3018 en ECLI:NL:CRVB:2019:3019. Volgens deze rechtspraak is bij gehuwden van duurzaam gescheiden leven pas sprake als na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Daarbij zijn de feitelijke omstandigheden bepalend voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet meer of niet opnieuw is verbroken, zijn niet relevant voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven.
4.2.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op basis van de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek van de Svb, niet is gebleken dat sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en wat in essentie een herhaling vormt van wat zij in beroep heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit wat appellante heeft aangevoerd is niet gebleken dat zij niet tegenover de Svb kan worden gehouden aan wat zij op het formulier “Onderzoek DGL” en tijdens het huisbezoek heeft verklaard over de feiten en omstandigheden. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.E.M.Boon (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.