ECLI:NL:CRVB:2020:1858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant werkte tot april 2009 als autopoetser en ontving daarna een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 25 januari 2017, later gewijzigd naar 27 september 2017. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, met name door carpaal tunnel syndroom en andere klachten, onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts de diagnose van de neuroloog betrok. In hoger beroep stelde appellant dat zijn belastbaarheid van handen, schouder, knie en enkel was onderschat en verwees naar een rapport van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige uit 2019.
De Raad concludeert dat de medische beoordeling juist is, dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld en dat de snijwond aan de hand onvoldoende aanleiding geeft tot extra beperkingen. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onder de 35%, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht per 27 september 2017 beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.