ECLI:NL:CRVB:2020:1869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 47,88% voor WIA-uitkering
Appellant was sinds 2005 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering van 80-100%. Na een verslechtering van zijn gezondheid in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast op 47,88%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij niet geschikt was voor de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht geen aanvullende medische informatie had opgevraagd en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren gemotiveerd. De opname van appellant in een ziekenhuis na de datum van het medisch onderzoek bood geen aanleiding tot meer beperkingen.
In hoger beroep heeft appellant een psychologisch rapport overgelegd dat afwijkt van de medische conclusies, maar de Raad vond dit onvoldoende om twijfel aan het medisch onderzoek te rechtvaardigen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 47,88%.