Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1896

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2020
Publicatiedatum
18 augustus 2020
Zaaknummer
19/259 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 33 WWArt. 15 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging berekening WIA-dagloon exclusief WW-uitkering februari 2016

Appellant was tot 1 januari 2016 werkzaam en ontving vanaf die datum een WW-uitkering. Hij meldde zich op 17 maart 2016 ziek en kreeg vanaf 15 maart 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op een maandloon van €3.228,14. Bij besluit van 19 maart 2018 werd deze voortgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de uitkering, stellende dat de WW-uitkering over februari 2016, die in maart werd betaald, mee had moeten tellen in de berekening van het WIA-maandloon. Het UWV wees dit bezwaar af, verwijzend naar wettelijke bepalingen die bepalen dat de WW-uitkering per kalendermaand achteraf wordt betaald en dat de uitkering wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak van de werkgever.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees naar de wettelijke systematiek en eerdere jurisprudentie. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. De Raad oordeelde dat de betalingssystematiek een aanvaardbare consequentie is en dat de WW-uitkering over februari 2016 buiten de referteperiode valt, waardoor deze niet in het WIA-dagloon wordt betrokken.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door H.G. Rottier en uitgesproken op 17 augustus 2020.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering over februari 2016 niet wordt meegenomen in de berekening van het WIA-dagloon.

Uitspraak

19 259 WIA

Datum uitspraak: 17 augustus 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 december 2018, 18/4988 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M. Schippers hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is tot 1 januari 2016 werkzaam geweest voor [naam B.V.]. Met ingang van 1 januari 2016 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft zich op 17 maart 2016 ziek gemeld.
1.2.
Met ingang van 15 maart 2018 is aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het WIA‑maandloon is daarbij vastgesteld op € 3.228,14.
1.3.
Bij besluit van 19 maart 2018 is de loongerelateerde WGA-uitkering voortgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Het WIA-maandloon is daarbij wederom vastgesteld op € 3.228,14.
1.4.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 maart 2018. Zijn bezwaar richtte zich tegen de hoogte van de uitkering. Appellant is van mening dat de betaling van de WW-uitkering in de maand februari, die betrekking had op de maand januari 2016, onderdeel had moeten uitmaken van de berekening van het WIA-maandloon. Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar artikel 33 van Pro de WW waaruit volgt dat de WW-uitkering in de regel per kalendermaand achteraf wordt betaald en naar artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen waaruit volgt dat de uitkering geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de door het Uwv genoemde artikelen, de nota van toelichting bij artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit, rechtspraak van de Raad en de onmogelijkheid om af te wijken van het wettelijk systeem.
3.1.
De gronden in hoger beroep zijn een herhaling van wat appellant eerder heeft aangevoerd. Hij stelt dat slechts 11 maanden betaling zijn meegenomen omdat de uitkering van de maand februari 2016 werd uitbetaald in maart 2016 en dus niet meetelt in de berekening, omdat deze buiten de referteperiode valt die loopt van 1 maart 2015 tot 1 maart 2016. Hij maakt bezwaar tegen het gebruik van de inkomstenformulieren bij het opgeven van de werkzaamheden bij het Uwv omdat de betaling van de uitkering daardoor altijd plaatsvindt ná de maand waar de uitkering betrekking op heeft.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 3.3 en 3.4 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Niet betwist is dat de referteperiode in deze zaak loopt van 1 maart 2015 tot 1 maart 2016. Vanwege de betalingssystematiek wordt de WW-uitkering over de maand februari 2016 betaald in maart 2016 en ook als zodanig door het Uwv in Suwinet verantwoord. De betalingen op grond van de WW worden volgens het wettelijk systeem dus niet betrokken in de berekening van het WIA-dagloon. De Raad heeft dat een aanvaardbare consequentie van de regelgeving gevonden, zie de uitspraak van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2961) waarin ook de keuze van de regelgever wordt aangehaald.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2020.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.S. Barthel