ECLI:NL:CRVB:2020:1896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening WIA-dagloon exclusief WW-uitkering februari 2016
Appellant was tot 1 januari 2016 werkzaam en ontving vanaf die datum een WW-uitkering. Hij meldde zich op 17 maart 2016 ziek en kreeg vanaf 15 maart 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op een maandloon van €3.228,14. Bij besluit van 19 maart 2018 werd deze voortgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de uitkering, stellende dat de WW-uitkering over februari 2016, die in maart werd betaald, mee had moeten tellen in de berekening van het WIA-maandloon. Het UWV wees dit bezwaar af, verwijzend naar wettelijke bepalingen die bepalen dat de WW-uitkering per kalendermaand achteraf wordt betaald en dat de uitkering wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak van de werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees naar de wettelijke systematiek en eerdere jurisprudentie. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. De Raad oordeelde dat de betalingssystematiek een aanvaardbare consequentie is en dat de WW-uitkering over februari 2016 buiten de referteperiode valt, waardoor deze niet in het WIA-dagloon wordt betrokken.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door H.G. Rottier en uitgesproken op 17 augustus 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering over februari 2016 niet wordt meegenomen in de berekening van het WIA-dagloon.