ECLI:NL:CRVB:2020:1899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens gebrek aan psychische beperkingen per 25 juni 2017
Appellante was sinds 5 maart 2014 ziek gemeld en had een dienstverband dat op 1 december 2014 eindigde. Vanaf 2 maart 2016 werd haar WIA-uitkering vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 2017 vond een herbeoordeling plaats waarbij het UWV concludeerde dat zij geschikt was voor haar eigen werk en daarom geen recht meer had op WIA-uitkering vanaf 25 juni 2017.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische klachten ongeschikt was voor werk vanaf die datum, verwijzend naar haar opname in december 2017. De Raad oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor psychische beperkingen vóór december 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dit in een rapport van 5 december 2018, ondersteund door medische stukken en een brief van een verpleegkundig specialist.
De Raad onderschreef de eerdere uitspraak van de rechtbank en concludeerde dat er geen reden was om beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen op de datum in geding. Appellante had geen aanvullende medische stukken overgelegd die haar standpunt konden onderbouwen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante vanaf 25 juni 2017 geen recht had op WIA-uitkering wegens het ontbreken van psychische beperkingen.