ECLI:NL:CRVB:2020:1915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2020
Publicatiedatum
19 augustus 2020
Zaaknummer
19/3104 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbToeslagenwetAlgemene nabestaandenwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering toeslag na overlijden partner en schending inlichtingenplicht

Appellante ontving sinds 2008 een toeslag op haar WIA-uitkering gebaseerd op de gehuwdennorm. Na het overlijden van haar echtgenoot in 2011 meldde zij dit aan het Uwv, dat haar toen informeerde dat haar toeslag en uitkering ongewijzigd bleven en dat zij wijzigingen moest doorgeven.

In 2017 kwam het Uwv via een interne melding en gegevens van de Sociale Verzekeringsbank achter het feit dat appellante sinds oktober 2011 een nabestaandenuitkering ontving. Dit leidde tot een herziening van de toeslag en terugvordering van € 9.431,93 over de periode 2011-2017. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, die later werd ingetrokken.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, overwegende dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien, mede omdat zij geen aflossingscapaciteit had en voorlopig niet hoefde terug te betalen.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunten herhaald zonder nieuwe onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

19 3104 WIA

Datum uitspraak: 19 augustus 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
3 juni 2019, 18/6440 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Eryilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontvang vanaf 1 maart 2008 op grond van de Toeslagenwet een toeslag, gebaseerd op de gehuwdennorm op haar WIA-uitkering. Op 2 oktober 2011 is de echtgenoot van appellante overleden. Op 3 november 2011 heeft appellante hiervan melding aan het Uwv gedaan. Naar aanleiding van die melding heeft het Uwv appellante bij brief van
9 november 2011 ervan op de hoogte gesteld dat haar uitkering en de toeslag niet veranderen. Tevens is zij erop gewezen dat zij wijzigingen in haar situatie aan het Uwv moet doorgeven.
1.2.
Op een door het Uwv verstrekt formulier ‘Inkomens- en vermogensonderzoek’ heeft appellante op 1 maart 2013 vermeld dat haar financiële situatie binnenkort verandert omdat zij per februari 2013 inkomsten ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank (Svb).
1.3.
Op 29 september 2017 is een interne melding gedaan dat appellante een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) ontvangt. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv onderzoek gedaan en gegevens ontvangen van de Svb waaruit volgt dat appellante vanaf 1 oktober 2011 een Anw-uitkering ontvangt. Het Uwv heeft op 29 september 2017 de toeslag verlaagd.
1.4.
Nadat het Uwv eerder het voornemen daartoe aan appellante kenbaar had gemaakt, heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2018 de toeslag van 1 oktober 2011 tot en met
30 september 2017 herzien en van appellante een bedrag aan ten onrechte betaalde toeslag van € 9.431,93 teruggevorderd. Bij een tweede besluit van 25 april 2018 heeft het Uwv appellante wegens het schenden van de inlichtingenverplichting een boete van € 1.600,64 opgelegd.
1.5.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de beide besluiten van 25 april 2018. Bij beslissing op bezwaar van 30 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard en de boete laten vervallen. Het bezwaar tegen de herziening en terugvordering van de toeslag heeft het Uwv ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat in 2008 bij de toekenning van de toeslag aan appellante is medegedeeld dat wijzigingen moesten worden doorgegeven. Door het overlijden van de partner in 2011 wijzigde ook het inkomen van appellante. Dat zijn feiten waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk mocht zijn dat zij van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op toeslag, temeer omdat appellante in de toekenningsbeslissing daar op is gewezen. De eerste keer dat appellante vermeldde dat zij een nabestaandenuitkering ontving was op een formulier ‘Inkomens en vermogensonderzoek’ dat zij instuurde op 11 maart 2013. Appellante diende echter geen wijzigingsformulier in waarop zij aangaf dat het inkomen was veranderd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van een gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien. Evenmin is sprake van een dringende reden om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien. Het Uwv heeft er daarbij nog op gewezen dat reeds bij een eerder besluit was bepaald dat appellante geen aflossingscapaciteit heeft en dat zij voorlopig niet hoefde terug te betalen.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante te veel uitkering ontving en dat het Uwv gehouden was de uitkering te herzien, daarbij kennelijk oordelend dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht niet was nagekomen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:AT2869 overwogen dat van een dringende redenen slechts sprake is als deze zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. De rechtbank heeft overwogen dat appellante bij de invordering bescherming geniet van de regels van de beslagvrije voet en dat er op dit moment geen sprake is van aflossingscapaciteit aan de zijde van appellante en appellante de schuld die is ontstaan voorlopig niet hoeft terug te betalen. De financiële gevolgen van de terugvordering zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onaanvaardbaar, zodat er ook geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de gronden in bezwaar en beroep. Volgens appellante heeft zij de inlichtingenplicht niet geschonden en bestaat er geen basis voor terugvordering. Zij stelt dat sprake is van een dringende reden omdat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale of financiële consequenties.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 3.3 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Appellante heeft in haar summiere hoger beroep verwezen naar de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft verwoord. Daarbij heeft appellante niet onderbouwd om welke redenen het oordeel van de rechtbank onjuist is. Aangezien wordt onderschreven wat de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen wordt volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
19 augustus 2020.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.M.M. Chevalier