ECLI:NL:CRVB:2020:1915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering toeslag na overlijden partner en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2008 een toeslag op haar WIA-uitkering gebaseerd op de gehuwdennorm. Na het overlijden van haar echtgenoot in 2011 meldde zij dit aan het Uwv, dat haar toen informeerde dat haar toeslag en uitkering ongewijzigd bleven en dat zij wijzigingen moest doorgeven.
In 2017 kwam het Uwv via een interne melding en gegevens van de Sociale Verzekeringsbank achter het feit dat appellante sinds oktober 2011 een nabestaandenuitkering ontving. Dit leidde tot een herziening van de toeslag en terugvordering van € 9.431,93 over de periode 2011-2017. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, die later werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, overwegende dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien, mede omdat zij geen aflossingscapaciteit had en voorlopig niet hoefde terug te betalen.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunten herhaald zonder nieuwe onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag en wijst het hoger beroep af.