ECLI:NL:CRVB:2020:1922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2020
Publicatiedatum
19 augustus 2020
Zaaknummer
18/4947 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene nabestaandenwetAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens ontbreken verplichte verzekering echtgenoot

Appellante, weduwe van een man die verzekerd was voor de AOW tot 2011 en daarna terugkeerde naar Marokko, vroeg een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Deze aanvraag werd afgewezen omdat de echtgenoot op het moment van overlijden niet (verplicht) verzekerd was en zich ook niet vrijwillig had verzekerd.

Na bezwaar en een nieuw verzoek om toekenning van de uitkering, dat eveneens werd afgewezen, stelde appellante hoger beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de argumenten van appellante, waaronder haar status als weduwe en de zorg voor een kind, niet leiden tot een ander oordeel. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die een herziening rechtvaardigen. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak zijn daarom rechtsgeldig en worden gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de nabestaandenuitkering wegens ontbreken verplichte verzekering echtgenoot.

Uitspraak

18.4947 ANW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2018, 17/5801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 19 augustus 2020
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is in 1998 gehuwd met [naam echtgenoot] (echtgenoot). De echtgenoot is geboren [in] 1947. De echtgenoot van appellante is verzekerd geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de periode van 30 september 1966 tot en met 11 mei 2011. In 2012 is de echtgenoot een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend en is de echtgenoot naar Marokko teruggekeerd. Bij besluit van 29 juni 2012 heeft de Svb de echtgenoot geïnformeerd over de gevolgen van zijn terugkeer voor het ouderdomspensioen en de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren voor de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Op [sterfdatum] 2015 is de echtgenoot overleden.
1.2.
Appellante heeft op 17 september 2015 een nabestaandenuitkering op grond van de Anw aangevraagd. Bij besluit van 23 oktober 2015 is de aanvraag afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 20 mei 2016. Dit besluit is gebaseerd op de overweging dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat zij geen nabestaande in de zin van de Anw is, doordat de echtgenoot op de dag van overlijden niet (verplicht) verzekerd was en hij zich niet vrijwillig heeft verzekerd voor deze wet.
1.3.
Bij brief van 2 augustus 2016 heeft appellante opnieuw gevraagd haar een nabestaandenuitkering toe te kennen. Dit verzoek heeft de Svb bij besluit van 5 september 2016 afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 24 augustus 2017 (bestreden besluit). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan de Svb zou moeten terugkomen van het besluit van 23 oktober 2015. Volgens de Svb is er ook geen grond om vanaf de datum van het verzoek van 2 augustus 2016 terug te komen van dit besluit, omdat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven terug te komen van de afwijzing van de aanvraag om een nabestaandenuitkering. Niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aan te merken het feit dat haar echtgenoot in Nederland heeft gewerkt of dat appellante bereid is alsnog premie voor de vrijwillige Anw‑verzekering te betalen. Geoordeeld is dat het bestreden besluit niet onmiskenbaar onjuist of (in een andere zin) evident onredelijk is. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb niet vanaf de datum van het verzoek van 2 augustus 2016 hoefde terug te komen van het besluit van 23 oktober 2015, omdat appellante geen deugdelijke en toereikende onderbouwing heeft gegeven van haar verzoek.
3.1.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de Svb van het besluit van 23 oktober 2015 dient terug te komen en dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering. Appellante heeft erop gewezen dat zij weduwe is en de zorg voor een kind heeft.
3.2.
De Svb heeft het standpunt ingenomen dat bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om alsnog een nabestaandenuitkering toe te kennen terecht is gehandhaafd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingebracht. Wat de rechtbank heeft geoordeeld is juist. Het oordeel van de rechtbank is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:752, waarnaar in de aangevallen uitspraak is verwezen. Zowel in het bestreden besluit als in de aangevallen uitspraak is voldoende uiteengezet waarom de herhaalde aanvraag van appellante niet voor toewijzing in aanmerking komt. Deze overwegingen worden overgenomen. De omstandigheid dat appellante weduwe is en de zorg voor een kind heeft, leidt niet tot een ander oordeel.
4.2.
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) L.R. Daman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.